Wonderkamer

In de vitrines van de Wonderkamer van het Zandvoorts museum bevinden zich opmerkelijke en historische voorwerpen. Aan de hand van deze authentieke voorwerpen kunt u een kijkje nemen in de geschiedenis van Zandvoort.

Het echtpaar Cnoop Koopmans - Haarlems Kinderhuis deel 1
Aan de wand van de Wonderkamer hangen de portretten van de heer mr. Nicolaas Gerbrand Cnoop Koopmans (1846-1919) en mevrouw. Anna Elisabeth Cnoop Koopmans-Bunge (1846-1920). De portretten zijn geschilderd door Bramine G. Hubrecht (1855-1913) en zijn in december 1987 door familieleden van het echtpaar geschonken aan gemeente Zandvoort.

 

Mevrouw Cnoop Koopmans-Bunge was regentes van het Gereformeerd of Burgerweeshuis in Haarlem dat van 1810 tot 1908 gevestigd was in het gebouw dat thans het Frans Hals Museum is. Door haar werkzaamheden kwam zij in aanraking met kinderen die thuis in niet altijd in een gezonde hygiënische omgeving woonden en met wie het door ziektes niet altijd goed ging. Zij heeft in 1883 het initiatief genomen om in Zandvoort een kinderhuis op te richten voor de “Haarlemse Bleekneusjes”. Haar man was een van de belangrijkste financiers van dit kinderhuis. Het echtpaar woonde niet in Zandvoort, maar had een zomerverblijf op de hoek van de Wilhelminaweg / Koninginneweg. Op de foto van dit zomerverblijf is de oude Trambaan te zien en Hotel Von Kaufmann (Hotel d’Orange).

Het Eerste Haarlems Kinderhuis stond aan de Hogeweg. Hier verbleven iedere drie weken 25 Haarlemse kinderen. Door de frisse Zandvoortse lucht en de rust, reinheid, regelmaat die hen door de verzorgers van het kinderhuis werden geboden, konden de kinderen herstellen van hun ziektes. Omdat de belangstelling voor een gezond verblijf in Zandvoort toenam en er steeds hogere eisen aan de kwaliteit van kinderhuizen werden gesteld, hebben de heer en mevrouw Cnoop Koopmans een nieuw kinderhuis laten bouwen. Dit Tweede Haarlems Kinderhuis werd gebouwd op de plaats waar nu de Watertoren staat en werd in 1901 in gebruik genomen Over dit Tweede Haarlems Kinderhuis geven we in een volgend.

HET ECHTPAAR CNOOP KOOPMANS / HAARLEMS KINDERHUIS  deel 2

In de Wonderkamer van het Zandvoorts museum ligt de zilveren troffel met een ebbenhouten handvat. Deze troffel is op 2 juli 1901 gebruikt voor het leggen van de eerste steen voor de bouw van het Tweede Haarlems Kinderhuis. Ook staat er een aantal bekers waaruit de kinderen bij speciale gelegenheden chocolademelk mochten drinken. Het museum heeft deze bekers op 25 mei 2012 ontvangen van het bestuur van de Stichting Het Kinderhuis te Zandvoort bij de presentatie van het boek “Rust, Reinheid en Regelmaat” van Fatima van der Maas. Dit boek gaat o.a. over de geschiedenis van het Tweede Haarlems Kinderhuis en de Amsterdamse vakantiekolonie.

Het Tweede Haarlems Kinderhuis werd op 14 juni 1902 geopend. Het stond op een hoog duin op de plaats waar nu de Watertoren staat. Het gebouw was 24 x 16,5 meter groot, 16 meter hoog en had vier verdiepingen. Het zag er uit als een groot Zwitsers Chalet en was aan de buitenkant zeer decoratief beschilderd. Bovenin bij de nok was een Phoenix geschilderd die de vlucht naar het ideaal (het nieuwe pand) voorstelde. Bij de bovenste ramen waren veel lelies aangebracht als symbool voor de blanke reine en onbedorven kinderziel. Op de tweede etage waren een pelikaan met jongen en de dolfijn geschilderd en op eerste etage waren schelpen, zeegras, zeepaardjes en de duinroos aangebracht. Alles als verwijzing naar de zee, het strand en de duinen. Binnen waren de deuren versierd met dezelfde afbeeldingen. Het Kinderhuis was voor die tijd een heel modern gebouw en had een eigen elektriciteitsvoorziening. Er was ook een waterpompinstallatie waarmee het water naar de bovenste verdieping gepompt kon worden.

Gedurende het zomerseizoen kwamen er iedere drie weken 70 kinderen naar dit Kinderhuis. De meeste kinderen waren afkomstig van Haarlemse scholen en verbleven hier gratis. Voor kinderen die via particuliere instellingen werden geplaatst werd fl 5,- per week betaald (1907) betaald. Alle kinderen kwamen uit de “minst gegoede gezinnen” die thuis geen kans hadden om te herstellen van ziektes “zonder de weldaad van een verblijf in een gezonde en hygiënische omgeving”.

De directrice werd bij haar werk ondersteund door een aantal dames uit gegoede kringen die belangeloos toezicht hielden op de kinderen zowel in huis als op het strand en tijdens het maken van wandelingen. Er was keukenpersoneel en er waren zwakke jonge meisjes in dienst voor wie een verblijf in het Kinderhuis als wenselijk was voorgeschreven. Deze meisjes deden ’s morgens lichte huishoudelijke werkzaamheden en trokken ‘s middags met de kinderen op. Zij ontvingen hiervoor een kleine geldelijke vergoeding. Het medisch toezicht werd meestal belangeloos uitgevoerd door artsen waaronder ook de Zandvoortse arts dr. C.A. Gerke

In 1908 heeft iemand op een ansichtkaart over het Kinderhuis geschreven:
Het Kinderhuis te Zandvoort is bevoorrecht boven alle anderen koloniehuizen. Daar slapen niet meer dan 12 kinderen in één vertrek en de slaap- en eetkamers zijn ruim en fris en van elektrisch licht voorzien; voor ventilatie is overal gezorgd en ondanks de nabijheid van de zee, waar in tegenstelling tot andere huizen langs de kust, de wind zo unheimisch kan gieren, is van tocht geen sprake; het goede drinkwater, het hygiënische behang en tal van andere maatregelen en voorzorgen getuigen, dat gedacht is aan al wat de gezondheid kan bevorderen van de kleine gasten”.

Op 12 mei 1942 heeft de Duitse bezetter de Stichting Het Haarlems Kinderhuis opgeheven. Het echtpaar Cnoop Koopmans werd daardoor gedwongen de werkzaamheden voor het Kinderhuis te beëindigen en het gebouw te sluiten. Het pand werd in 1943 op last van de bezetter in verband met de bouw van de Atlantikwall gesloopt”.

Paardenrenbaan
In de Wonderkamer hangt de sepiatekening van C.C.A. Last (1808-1876) met de naam: “De Wedren op 6 september 1844 nabij Zandvoort.

Op 24 september 1843 werd in hotel ‘Groot Badhuis' te Zandvoort de Sociëteit tot Aanmoediging der Verbetering van het Paardenras in het Koninkrijk der Nederlanden opgericht. Mr. A.H. van Wickevoort Crommelin uit Heemstede werd de president en Koning Willem II werd beschermheer. De Sociëteit stimuleerde de aanleg van renbanen en bevorderde de fokkerij van sportpaarden. De eerste baan die deze Sociëteit aanlegde was de baan in de Zandvoortse duinen, in het gebied van de huidige Waterleidingduinen. De namen van de duingebieden “Renbaanveld” en “Tribune” herinneren nog steeds aan deze renbaan. De baan was ellipsvormig, 1400 meter lang en 15 meter breed. De aanleg kostte fl. 6.850. De paardenrennen werden ieder jaar eind augustus of begin september gehouden en duurden twee of drie dagen. Langs de toegangsweg stonden kraampjes en tentjes waar etenswaren werden verkocht. Buiten de aarden wal van de renbaan waren de duinen bezet met mensen die geen geld hadden om een kaartje voor het middenterrein te kopen. De laatste paardenrace was op 31 juli 1852. Vanaf 1853 werd het duingebied gebruikt als drinkwaterreservoir voor Amsterdam.

Linksonder op de tekening zie je het chique volk dat een kaartje heeft gekocht. De toren met de drie mannen is de rechtersstoel met daarop 3 rechters. In het midden is het veld met renpaarden. Rechtsboven is de grote tribune met de Koninklijke familie waaronder waarschijnlijk de prins van Oranje (Willem II) en leden van de Sociëteit en hun vrouwen. 

De manden van de visloopsters

Wanneer de vissersschepen van zee waren teruggekeerd, de vis van boord was gehaald en de visafslag gehouden was, moest de vis nog aan de man gebracht / verkocht worden. Dat gebeurde grotendeels door de zogenaamde "vislopers". Deze vrouwen liepen met een of twee manden vol vis op hun rug door de duinen van Zandvoort naar de Vishal in Haarlem; een afstand van circa 8 kilometer.

De grootste mand werd “bot” genoemd. Hierin lagen de grote vissen. Deze mand had draagriemen en werd op de rug gedragen. Op deze mand lag een platte meer ovale mand, die “zeiger” genoemd werd. In deze mand lagen de kleinere vissen en de garnalen. De mand werd altijd afgedekt met een lap stof om de vis te beschermen en te voorkomen dat de vissen uit de mand zouden vallen.

Aan haar arm droeg de visloopster een mand met een hengsel, die "hengelesmand" werd genoemd. Daarin bewaarde zij haar “knip/portemonnee”, zodat die niet naar vis zou gaan stinken. Ook lag in deze mand haar gereedschap: een kopje, een plank en een mesje. Het kopje werd gebruikt voor het afmeten van een portie garnalen. De plank en het mesje werden gebruikt om de vis schoon te maken. Het was erg belangrijk om dit pas op de markt te doen of bij de klant aan de deur omdat aan de kop van de vis te zien was hoe vers de vis was en hoe verser de vis, hoe lekkerder.

Wij moeten veel eerbied hebben voor de vrouwen die dit werk tussen 1700 en 1900 hebben gedaan. Zij liepen bijna dagelijks met 30-40 kilo vis op hun rug door het mulle zand duin op en duin af naar Haarlem. Daar aangekomen moesten zij nog beginnen met hun werk: het verkopen van de vis. Aan het eind van de dag liepen ze weer 8 kilometer om naar huis te gaan.

Grand Hotel / Grand Hotel Wüst

In de vitrines van de Wonderkamer zijn foto’s en authentieke voorwerpen te zien van verschillende prachtige hotels die vanaf 1826 in Zandvoort zijn gebouwd. Deze hotels hebben een grote rol gespeeld in de ontwikkeling van het toerisme in de 19e eeuw toen Zandvoort van een vissersdorp veranderde in een luxe badplaats.
Een van deze hotels is het Grand Hotel geopend op 24 juni 1897.

Het was een groot luxueus hotel met 150 kamers, een hydraulische lift, een schitterende eetzaal en aan de zeezijde was een groot met luifels overdekt terras. Het hotel was in trek bij de adel uit Nederland en Duitsland. Vele prinsen en prinsessen hebben hier enige tijd verbleven en aan de vlaggen die op het dak stonden te wapperen kon men zien welke koninklijke gasten er waren. In de vitrine ligt een ansichtkaart van het hotel die op 31 juli 1899 is verstuurd.
Rond 1906 nam de heer Th.K.R. Wüst het hotel over en hij veranderde de naam van het hotel in “Grand Hotel Wüst”.

Het hotel werd uitgebreid met twee dependances waardoor er 190 kamers beschikbaar waren. Een rustiek houten huis werd ingericht als kinderspeelplaats zodat de gasten in alle rust van de zee konden genieten. Er waren gescheiden dames- en herensalons, een gemengde conversatiezaal en een groot gesloten terras waarvan de ramen bij aangename temperaturen automatisch naar boven werden geschoven. De gasten werden met een elektrische lift naar de etages gebracht. Volgens de Badcourant uit 1906 was het hotel zeer smaakvol ingericht met fraaie meubelen en mooie kunstvoorwerpen. Het hotel behoorde tot 1914 bij de beste hotels van Europa.
Na de Eerste Wereldoorlog werd de heer A.J. van der Made de nieuwe eigenaar. Hij heropende het hotel in 1921 en gaf het weer de naam “Grand Hotel”. De gastenverblijven waren veranderd in suites met een slaapkamer, een badkamer en een boudoir. De sleutel van kamer 96 die in de vitrine te zien is, is van een van deze prachtige kamers geweest.

Het hotel stond aan de Boulevard Barnaart iets ten noorden van waar nu het Center Parcs Hotel staat en is rond 1943 in verband met de aanleg van de Atlantikwall op last van de bezetter gesloopt”.

Badkleding

De badkleding van nu is heel anders dan de badkleding die de mensen vroeger droegen. Tegenwoordig kun je alles aantrekken wanneer je naar het strand gaat: een badpak, bikini, of een zwembroek, een niets verhullende microkini of een boerkini die alleen het gezicht de handen en de voeten onbedekt laat. Je kunt nu zelfs naar het naaktstrand.


Tot de twintigste eeuw zwommen de mensen ook niet zo maar in zee zoals op deze foto. Men ging alleen met een badkoets in de zee om te baden. De mannen droegen meestal gestreepte badpakken en de vrouwen badjurken met mouwen. Er waren ook badkostuums voor vrouwen. Die bestonden uit een kniebroek en een tuniek met korte mouwen. Het was in die tijd absoluut niet de bedoeling dat iemand behalve armen en benen andere blote lichaamsdelen zou zien. Later werden er ook badpakken gedragen die van wol waren gemaakt; meestal in de kleuren rood, blauw of zwart. Die badpakken waren heel zwaar als ze nat waren.

Je kunt je bijna niet voorstellen dat mensen deze bakkleding voor hun plezier hebben gedragen.

 

De aangespoelde potvis in 1762
Een op 20 februari 1762 in de buurt van Zandvoort aangespoelde volwassen mannelijke Cachelot (potvis) zorgde een aantal dagen voor de nodige sensatie en toeloop van nieuwsgierige bezoekers. De potvis was 61 voet en 6 duim lang (ca 19 meter).
Uit een overzicht van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden blijkt dat dit de negende potvis was die sinds december 1761 was aangespoeld tussen Terschelling en Zandvoort. Volgens de kranten was het dier dood komen aandrijven en bleef het enige dagen goed geconserveerd dankzij het koude weer. De strandvonders hebben onmiddellijk een wachtpost bij het kadaver geplaatst om diefstal van het spek en de tanden te voorkomen, maar ook voor het walschot; een wasachtige substantie van een orgaan in de schedel dat de grondstof was voor de productie van dure kaarsen en cosmetica.
Een paar Zandvoortse vrouwen speelden in op de situatie en verkochten hartversterkingen en versnaperingen. Iemand plantte een paal met een bord met het opschrift “Gedenckt den Arme visschers van Zandvoort 1762” om de toeschouwers aan te sporen een gift te deponeren in een aan deze paal bevestigde armenbus.
De opbrengst van deze collecte is niet bekend maar zal ongetwijfeld administratief verwerkt zijn door het kerkelijke of burgerlijk armenbestuur van Zandvoort. Dode potvissen waren toen handel. Deze potvis is tijdens een openbare veiling op 5 maart 1762 verkocht aan de eigenaar van een traankokerij voor 900 gulden.
Op 9 maart 1762 werd begonnen met het snijden en ontleden van de potvis. Mannen met hakmessen en bijlen stonden op de potvis om het spek af te snijden en de spekstroken werden van de potvis afgetrokken met behulp van een katrol en een geankerde lijn waaraan door vier mannen wordt getrokken.
Een van de toeschouwers was Jacob Bicker Raye uit Amsterdam. Hij heeft in zijn dagboek over zijn bezoek aan de potvis o.a. geschreven: …..”Nauwelijks had men gehoord dat het monster (de potvis) op het strand lag, of duizenden menschen hadden er een reisje naar Zandvoort voor over om het kwalijk riekende cadaver te gaan zien. En wat een reis. Eerst met de schuit naar Haarlem en dan zoo'n wandelingetje naar het strand. Het was in den winter toch werkelijk geen pretje. Niettemin stroomde men van alle kanten toe en de ‘armbos’ die er bij geplaatst was, en waar de milddadige toeschouwers hun gave in konden steken, stond er niet voor niets. Om de zeldzaamheid van het geval werd er een prent van gemaakt, die voor 12 stuivers verkocht werd…”
De ets met de titel “De aftekening van een Cachelot” is gemaakt door Hendrik Spilman naar een tekening van Jan Augustin. Hierop is o.a. het bord met de armenbus te zien. 
De ets met de titel “Het afmaken van de Cagelotvis” is een unieke ets gemaakt door de toen 15 jarige Johannes Swertner. Het is de enige in de 18e eeuw gemaakte Nederlandse ets waarop te zien hoe een gestrande potvis wordt bewerkt. Beide etsen zijn in het bezit van het Rijksmuseum.
aangespoelde potvis